Voedsel en Waren Autoriteit

Ga naar hoofdmenu / zoekveld.

  1. Home
  2. Onderwerpen
  3. Werkwijze food
  4. Keuringen
  5. Veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen

  1. Moeten varkensbotten gekoeld worden bewaard?
  2. Waaraan moet de voedselketeninformatie (VKI) van dieren uit het buitenland voldoen?
  3. Op welk formulier moeten dieren die bij de AM- keuring als cat. 2 en 3 dieren zijn ingedeeld worden geregistreerd?
  4. Als KDS de afhandeling van de PM- keuring heeft overgedragen aan de NVWA hoe wordt dan geborgd dat de karkassen volgens de regels worden afgewerkt?
  5. Welke voorschriften gelden voor electrische bedwelming van slachtdieren?
  6. Mogen nieren al voor de PM keuring uit het karkas worden gehaald waardoor deze niet meer met de natuurlijke ligamenten aan het karkas zijn verbonden?
  7. Mogen delen van het karkas voor de keuring worden verwijderd?
  8. Mogen koppen van rosékalveren gebroeid worden?
  9. Wat is de keuringsbeslissing voor behandelde droge uiers?
  10. Mogen niervetten voor de PM keuring uit het karkas worden gehaald, met als reden dat het karkasgewicht zonder niervetten wordt uitbetaald?
  11. Wie moeten de tonsillen bij runderen, en eenhoevigen verwijderen?
  12. Is vlees dat onder toezicht van de NVWA is gekeurd en gestempeld vrij van risico’s?
  13. In welke frequentie moet een exploitant van levensmiddelen monsternames uitvoeren?
  14. Is het toegestaan een identificatiemerk op cat. 3 materiaal aan te brengen?
  15. Is het toegestaan dat een partij schapen of runderen één VKI formulier meegeleverd krijgen indien deze via een EVC naar een slachthuis gaan?
  16. Welke gezondheidsstempels mogen vanaf 1 januari 2006 gebruikt worden?
  17. Wat zijn de microbiologische criteria voor gelatine?
  18. Wat is de handelwijze van de NVWA met betrekking tot Duitse kuikens en wachttermijnen?
  19. Welke eisen zijn gesteld aan het vervoer van door nood gedode runderen?
  20. Welke producten van kalveren en runderen uit echinococcus – risicolanden moeten worden ingevroren?
  21. Mag een dier dat binnen de wachttermijn van een geneesmiddel wordt aangeleverd op een slachthuis enkele dagen op stal overstaan totdat de wachttermijn is verstreken?
  22. Moet de identificatie van lama’s ( I&R regeling) voor de slacht worden aangeboden?
  23. Mogen liggende dieren op het slachthuis worden aangevoerd?
  24. Wie moet er voor de gezondheidsmerken en de identificatiemerken zorgen?
  25. Wat moet onder ‘schone dieren bij het slachten ’ worden verstaan?
  26. Kunnen karkassen worden vrijgegeven na negatieve BSE uitslag op slachtplaatsen zonder permanent toezicht?
  27. Als monstername voor BSE met een lepel niet lukt, heeft het bedrijf dan de keuze (kappen of kop opsturen) of moet er altijd gekapt worden of is kappen helemaal niet meer toegestaan?
  28. Moeten levers nog individueel gemerkt worden?
  29. Hoeveel stempels moeten er op een karkas staan als dit niet verdeeld het bedrijf verlaat?
  1. Moeten varkensbotten gekoeld worden bewaard?
  2. Grondstoffen voor de productie van gelatine bestemd voor humane consumptie dienen volgens Sectie XIV Gelatine Hoofdstuk II punt 2 van Verordening 853/2004 gekoeld of bevroren te worden vervoerd en opgeslagen, tenzij zij binnen 24 uur na verzending worden verwerkt.

  3. Waaraan moet de voedselketeninformatie (VKI) van dieren uit het buitenland voldoen?
  4. Voedselketeninformatie is een informatiestroom van veehouder naar slachthuis en van slachthuis naar de NVWA toezichthoudend dierenarts. We hebben afgesproken dat we in principe de vorm van de informatie uit het buitenland accepteren. De informatie moet wel zodanig worden aangeboden dat ze begrepen kan worden door de ontvanger van de informatie.

     

  5. Op welk formulier moeten dieren die bij de AM- keuring als cat. 2 en 3 dieren zijn ingedeeld worden geregistreerd?
  6. Dit kan op het combiformulier worden aangegeven.

  7. Als KDS de afhandeling van de PM- keuring heeft overgedragen aan de NVWA hoe wordt dan geborgd dat de karkassen volgens de regels worden afgewerkt?
  8. Indien een karkas ter plekke ‘opgeknapt’ wordt in aanwezigheid van de OA/KDS dan kan direct daarna het karkas worden gestempeld. Indien dit niet gebeurd dan moet bewuste overdracht door de OA aan de TDA plaatsvinden en dit wordt vastgelegd op het combiformulier. Een TDA/SC/ATDA werkt de keuring vervolgens af en legt het resultaat vast op het combiformulier.

  9. Welke voorschriften gelden voor electrische bedwelming van slachtdieren?
  10. De voorschriften mbt het bedwelmen van dieren zijn beschreven in:

    • Richtlijn 93/119/EG (elektrische bedwelming: bijlage C)
    • Besluit doden van dieren
    • Regeling doden van dieren

    De voorschriften mbt veiligheid voor de mens (bediening van de apparatuur) zijn beschreven in de ARBO-wet/besluit en regeling.

  11. Mogen nieren al voor de PM keuring uit het karkas worden gehaald waardoor deze niet meer met de natuurlijke ligamenten aan het karkas zijn verbonden?
  12. Zolang de keuring niet is voltooid moet op elk moment bepaald kunnen worden bij welk karkas de delen horen. Als het slachthuis procedures heeft die op een andere manier dan 'verbonden door de natuurlijke hechtmiddelen' garanderen dat de delen bij een specifiek karkas horen is dit ook toegestaan (Er kan dan ook gecontroleerd worden of het bedrijf deze procedures naleeft).

  13. Mogen delen van het karkas voor de keuring worden verwijderd?
  14. Slachtafvallen zoals onderpoten, testikels en uiers dienen bij het karkas ter keuring te worden aangeboden indien deze bestemd worden voor humane consumptie. Ook als slachtafvallen niet ter keuring worden aangeboden en er worden afwijkingen geconstateerd dan moeten deze bekend gemaakt worden vóór de PM-keuring. Als er geen afwijkingen zijn geconstateerd en de slachtafvallen worden niet bestemd voor humane consumptie dan is een batchkeuring van de slachtafvallen toegestaan.

  15. Mogen koppen van rosékalveren gebroeid worden?
  16. Nee, omdat volgens de Ver. 853/2004 alleen koppen van kalveren (=jonger 8 maanden) in aanmerking komen om gebroeid en onthaard te worden. Koppen van runderen ouder dan 8 maanden moeten dus tijdens de PM keuring ingesneden worden. 

  17. Wat is de keuringsbeslissing voor behandelde droge uiers?
  18. Voorheen werden alle droge uiers ongeschikt verklaard omdat deze behandeld zouden kunnen zijn met een middel dat nog wel in het uierweefsel aanwezig was, maar niet meer in de rest van het slachtdier. Nu alle behandelingen met een uierinjector gedurende de laatste 60 dagen gemeld moeten worden door de veehouder is het mogelijk die uiers die behandeld zijn met specifieke middelen (Cobactan DC en Orbenin extra dry cow) er tussenuit te halen. Dat op het VKI alle uierinjectoren gemeld moeten worden is om te voorkomen dat deze middelen een negatieve bijklank krijgen terwijl ze volledig aan de wet voldoen. Op Europees nivo heeft men echter geen rekening gehouden met het feit dat in Nederland uierweefsel voor menselijke consumptie aangewend worden, zodat voor de bepaling van wachttijd voor vlees geen onderzoek naar residuen in uierweefsel hoeft te gebeuren. De veehouder hoeft slechts het gebruik te melden gedurende de laatste 60 dagen. Is de behandeling langer geleden, dan hoeft het uier dus niet ongeschikt te worden verklaard. Op het moment dat ze wel ongeschikt verklaard zijn voor menselijke consumptie vallen deze onder de dierlijke bijproducten verordening. Een bedrijf mag altijd besluiten om alle droge uiers tot cat. 1 of 2 te bestemmen.

  19. Mogen niervetten voor de PM keuring uit het karkas worden gehaald, met als reden dat het karkasgewicht zonder niervetten wordt uitbetaald?
  20. De verordening schrijft voor dat beide nieren van het aanhangend vet worden ontdaan. Dit moet  dus voor de pm-keuring. Dit kan zonder ze uit het karkas te verwijderen, dus moeten ze er in zitten, of net als de overige slachtafvallen aanwezig zijn. Dat op basis van een PVE- verordening het niervet er uit mag, om het uit te betalen gewicht te bepalen, heeft hierop geen invloed. Alleen het gewicht van een goedgekeurd karkas kan bepaald worden, omdat anders nog niet zeker is hoeveel er wordt afgekeurd.

  21. Wie moeten de tonsillen bij runderen, en eenhoevigen verwijderen?
  22. De exploitant van het slachthuis moet er voor zorgdragen dat de tonsillen na de keuring worden verwijderd. Verordening 853/2004  Bijlage III, Sectie I, Hfd. IV onder 16a.

  23. Is vlees dat onder toezicht van de NVWA is gekeurd en gestempeld vrij van risico’s?
  24. Het Nationaal Plan Residuen is van zodanige aard dat je voor het overgrote deel residuen van de genoemde diergeneesmiddelen en bestrijdingsmiddelen als risico kunt afdekken, zodat de individuele slachterij hier geen actie meer op hoeft te nemen. Die garantie kan weer worden ‘doorgegeven’ voor het goedgekeurde vlees. Een aanvullende garantie kan zijn dat de dieren afkomstig zijn van een gecertificeerd keten garantie- systeem. In de vleesbranche zou bijvoorbeeld IKB dit kunnen zijn. Tenslotte zullen alle veehouders volgens gidsen voor goede praktijken moeten gaan werken en ook hier kan een certificeringsysteem aan worden verbonden, wat het individuele bedrijf als garantie kan gebruiken.

  25. In welke frequentie moet een exploitant van levensmiddelen monsternames uitvoeren?
  26. Conform de Verordening Microbiologische Criteria (VMC) gelden er microbiologische criteria voor vlees, vleesproducten, gehakt vlees, vleesbereidingen en separatorvlees. In artikel 4 lid 2 van de VMC is aangegeven dat de exploitant is verplicht door regelmatige bemonstering en analyse vast te stellen of producten voldoen aan deze criteria. De bemonsteringsfrequentie kan worden afgestemd op de aard en de omvang van het levensmiddelenbedrijf, mits de veiligheid van de levensmiddelen hierdoor niet in gevaar komt. In artikel 4 lid 2 van de VMC staat tevens dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven zelf de nodige bemonsteringsfrequenties vaststellen, tenzij in bijlage 1 van de VMC specifieke bemonsteringsfrequenties zijn aangegeven; in dat geval gelden de bemonsteringsfrequenties als minimum. De bedrijven zullen zelf aan moeten tonen dat de omvang van de monstername voldoende is om te kunnen concluderen dat de betreffende producten voldoen aan de wettelijke eisen.

  27. Is het toegestaan een identificatiemerk op cat. 3 materiaal aan te brengen?
  28. Nee, dit is niet toegestaan. Het identificatiemerk mag slechts geplaatst worden op producten die conform Vo 853/2004 zijn geproduceerd en voor menselijke consumptie bestemd en geschikt zijn. Als de producten dit niet zijn, vallen ze onder de Dierlijke Bijproducten Verordening en moeten worden geëtiketteerd zoals daar beschreven.

  29. Is het toegestaan dat een partij schapen of runderen één VKI formulier meegeleverd krijgen indien deze via een EVC naar een slachthuis gaan?
  30. Zolang alle voedselketeninformatie over de te leveren dieren aanwezig is, en degene die de verklaringen afgeeft kan onderbouwen dat deze verklaringen naar waarheid zijn gedaan. Het bedrijf van herkomst (veehouderij) moet altijd duidelijk vermeld zijn almede de gegevens van de dierenarts van het bedrijf van herkomst. Bij varkens zal dit na een verzamelslag niet altijd meer op één formulier kunnen voor een hele vracht. Bij rund / kalf / schaap / geit is het bedrijf van herkomst uit I&R te halen, maar de betreffende dierenarts staat daar niet in. Als echter bij deze diersoorten gebruik gemaakt wordt van digitale VKI, is alle info beschikbaar vanuit de systemen info-rund, info- schaap, etc. Als het slachthuis deze systemen kan raadplegen hoeft de verzamelplaatshouder geen VKI- formulier op te stellen.

  31. Welke gezondheidsstempels mogen vanaf 1 januari 2006 gebruikt worden?
  32. Het ovale EG- gezondheidsstempel voor het plaatsen van gezondheidsmerken op karkassen die in een slachthuis een AM- en PM- keuring hebben ondergaan en waarvan het vlees geschikt is bevonden voor menselijke consumptie. Het binnenlandse ronde gezondheidsstempel voor het plaatsen van gezondheidsmerken op karkassen die in een slachthuis als noodslachting dood zijn aangevoerd en in het slachthuis een PM- keuring hebben ondergaan en waarvan het vlees geschikt is bevonden voor menselijke consumptie. Dit vlees komt niet in aanmerking voor intracommunautaire handel en is bestemd voor binnenlands gebruik. Het "Afkeurstempel" is in 2006 wettelijk vervallen.

  33. Wat zijn de microbiologische criteria voor gelatine?
  34. De microbiologische criteria voor gelatine staan in Verordening Microbiologische Criteria 2073/2005 en bestaat enkel uit onderzoek op Salmonella. Zie hiervoor Verordening 2073 Bijlage 1 Hoofdstuk 1 Voedselveiligheidscriteria onder 1.10 Gelatine en collageen.

  35. Wat is de handelwijze van de NVWA met betrekking tot Duitse kuikens en wachttermijnen?
  36. Slachthuizen dienen gebruik te maken van de bekende websites met informatie over de wachttermijnen van diergeneesmiddelen. Als deze websites bij de slachthuizen niet bekend zijn, dan stuurt de toezichthouder deze informatie naar de slachthuizen (compliance assistance) Als er geen website bekend is of het middel is niet terug te vinden op één van de websites, dan kan het slachthuis volstaan met de controle of de wachttermijn is ingevuld en of de termijn verstreken is. Er is dan sprake van een soort overmachtsituatie.  In die situatie is ook bij de NVWA dan niet bekend waar het slachthuis de wachttijd zou kunnen verifiëren.

  37. Welke eisen zijn gesteld aan het vervoer van door nood gedode runderen?
  38. Aan de tijd en afstand waarbinnen gedode dieren op een slachthuis moeten arriveren na het schieten en verbloeden zijn geen eisen gesteld.

    Wel is bepaald dat indien het vervoer langer duurt dan 2 uur het vervoer gekoeld plaats moet vinden indien de buitentemperatuur dit noodzakelijk maakt.(In Nederland bij temp. van > 4 graden C.)

  39. Welke producten van kalveren en runderen uit echinococcus – risicolanden moeten worden ingevroren?
  40. Bij  het aantreffen van vinnen dan moet alles dat voor humane consumptie bestemd wordt eerst een koudebehandeling ondergaan voordat het hiervoor aangewend mag worden, dus ook broeipoten. Omdat delen van deze dieren ook besmetting van andere dieren die dit vlees consumeren kan opleveren is het niet juist deze af te voeren in een categorie dierlijk bijproduct die voor diervoeder wordt aangewend. Dit is opgenomen in de nieuw DBP-verordening.

     

    Echinococcose bij kalveren en runderen uit echinococcose-risicolanden, komen voor in inwendige organen van buik en borst en hersenen, maar niet in penis en poten. Ook een strot valt niet onder inwendig orgaan van borst- en buikholte.

    Indien tijdens de PM- keuring echinococcose blazen zijn aangetroffen zijn alle ingewanden van borst- en buikholte (incl. het hart) van runderen en de hersenen van kalveren uit zogenaamde Echinococcose- risicolanden (Roemenië en Bulgarije) ongeschikt voor mens en dier. Indien er geen echinococcose blazen zijn aangetroffen dan zijn alleen de ingewanden en hersenen van runderen ouder dan 6 maanden ongeschikt voor mens en dier als ze geen koudebehandeling hebben ondergaan.

  41. Mag een dier dat binnen de wachttermijn van een geneesmiddel wordt aangeleverd op een slachthuis enkele dagen op stal overstaan totdat de wachttermijn is verstreken?
  42. Dit is toegestaan mits aan de randvoorwaarden van het op stal staan wordt voldaan en na de wachttermijn een nieuwe AM- keuring wordt uitgevoerd.

  43. Moet de identificatie van lama’s ( I&R regeling) voor de slacht worden aangeboden?
  44. Lama's vallen onder gekweekt wild en hoeven niet volgens de I&R regeling (noch de Nederlandse, noch de EU I&R- regelgeving) geïdentificeerd te zijn. Er is wel een verplichting tot tracering volgens Vo 178/2002.

  45. Mogen liggende dieren op het slachthuis worden aangevoerd?
  46. Als runderen en paarden liggen ten gevolge van een fractuur, dan mogen ze niet vanaf het bedrijf naar het slachthuis worden vervoerd. Als dat wel gebeurt, dan wordt hierbij een van de vervoer teams van de NVWA ingeschakeld. Als dieren niet systemisch ziek zijn, maar bijvoorbeeld ten gevolge van een ander ongeval (kruislam) niet kunnen staan, dan mogen ze worden aangevoerd op een brancard. Ze hadden dan ook op het bedrijf gedood mogen/kunnen worden. Als dieren systemisch ziek zijn, dan mogen ze niet bij het slachthuis worden aangevoerd, zijn ze niet geschikt voor menselijke consumptie en mogen derhalve niet geslacht worden. Vanaf 5 januari 2007 is er een algeheel verbod ingesteld  op de aanvoer van liggende dieren op een slachthuis (Richtlijn 1/1005/EG).

  47. Wie moet er voor de gezondheidsmerken en de identificatiemerken zorgen?
  48. De exploitant van een slachterij waar hoefdieren en/of gekweekt wild geslacht wordt, zorgt zelf voor de aanschaf van het gezondheidsmerk en/of het speciale gezondheidsmerk en bestelt deze via een aangewezen coördinator van de NVWA. De officiële dierenarts houdt toezicht op de gezondheidsmerken en het gebruik van de gezondheidsmerken. De exploitant van een levensmiddelenbedrijf zorgt zelf voor de aanschaf of productie van de identificatiemerken.

  49. Wat moet onder ‘schone dieren bij het slachten ’ worden verstaan?
  50. Het doel is dat schone dieren worden geslacht om de microbiologische kwaliteit die wettelijk is voorgeschreven te bereiken. Dit is de verantwoordelijkheid van het bedrijf. Het bedrijf moet zorgen voor middelen om dit doel te bereiken, bijvoorbeeld effectieve reiniging van de betrokken dieren, een selectie van dieren in verband met het reinigingsniveau etc.

    Het bedrijf kan hiervoor een hygiënecode volgen. De NVWA heeft als taak te verifiëren dat de procedures die het bedrijf hiervoor heeft vastgesteld correct worden uitgevoerd. Bovenstaande is beschreven in het volgende document “Guidance document on the implementation of certain provisions of regulations (EC) No 853/2004 on the hygiene of food of animal origin’. Dit document wordt beschouwd als een hulpmiddel voor de implementatie van de desbetreffende hygiëneverordening.

  51. Kunnen karkassen worden vrijgegeven na negatieve BSE uitslag op slachtplaatsen zonder permanent toezicht?
  52. Hiervoor kunnen slachtplaatsen een eigen protocol maken en laten goedkeuren door de NVWA of gebruik maken van het standaard protocol van de Koninklijke Nederlands Slagersorganisatie (KNS).

  53. Als monstername voor BSE met een lepel niet lukt, heeft het bedrijf dan de keuze (kappen of kop opsturen) of moet er altijd gekapt worden of is kappen helemaal niet meer toegestaan?
  54. Een monstername, waarbij het bedrijf de hersenstam toegankelijk maakt voor de monsternemer dmv het kappen van de schedel is niet verboden, maar geschiedt altijd voor risico van het bedrijf. Als het monster niet te onderzoeken is volgt ongeschiktverklaring van het karkas. Let wel op arbo- omstandigheden i.v.m. rondspattend SRM materiaal tijdens het kappen.

  55. Moeten levers nog individueel gemerkt worden?
  56. Gezondheidsmerken worden volgens de Verordening 854 alleen op karkassen aangebracht. Levers (product van dierlijke oorsprong) moeten worden voorzien van een identificatiemerk voordat ze de slachterij verlaten (Verordening EG 853, Bijlage II, Sectie I, Punt A1).

  57. Hoeveel stempels moeten er op een karkas staan als dit niet verdeeld het bedrijf verlaat?
  58. Er moeten 3 gezondheidsmerken (stempels) per karkashelft zijn aangebracht. Dit is gebaseerd op het voorschrift dat karkashelften in de slachterij ten hoogste in drie voor de groothandel bestemde deelstukken mogen worden verdeeld (Verordening EG 853, Bijlage III, Hoofdstuk V, punt 1) of indien de karkashelften eventueel elders (bv. uitsnijderij) alsnog in twee/drie delen wordt verdeeld en zo’n onderdeel de uitsnijderij weer verlaat, dat onderdeel voorzien is van een gezondheidsmerk (Verordening EG 854, Bijlage I, Hoofdstuk III, punt 2b).