Voedsel en Waren Autoriteit

Ga naar hoofdmenu / zoekveld.

  1. Home
  2. Onderwerpen
  3. Levensmiddelen (food)
  4. Vlees
  5. Veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen

  1. Op welk formulier moeten dieren die bij de AM- keuring als cat. 2 en 3 dieren zijn ingedeeld worden geregistreerd?
  2. Welke producten van kalveren en runderen uit echinococcus – risicolanden moeten worden ingevroren?
  3. Mogen delen van het karkas voor de keuring worden verwijderd?
  4. Mogen nieren al voor de PM keuring uit het karkas worden gehaald waardoor deze niet meer met de natuurlijke ligamenten aan het karkas zijn verbonden?
  5. Welke gezondheidsstempels mogen vanaf 1 januari 2006 gebruikt worden?
  6. Is het toegestaan een identificatiemerk op cat. 3 materiaal aan te brengen?
  7. Welke voorschriften gelden voor electrische bedwelming van slachtdieren?
  8. Mogen koppen van rosékalveren gebroeid worden?
  9. Wat is de keuringsbeslissing voor behandelde droge uiers?
  10. Is er bij boerderijverkoop een erkenning nodig bij verkoop op het primaire productiebedrijf?
  11. Mogen niervetten voor de PM keuring uit het karkas worden gehaald, met als reden dat het karkasgewicht zonder niervetten wordt uitbetaald?
  12. Wie moeten de tonsillen bij runderen, en eenhoevigen verwijderen?
  13. Is vlees dat onder toezicht van de NVWA is gekeurd en gestempeld vrij van risico’s?
  14. In welke frequentie moet een exploitant van levensmiddelen monsternames uitvoeren?
  15. Mag een dier dat binnen de wachttermijn van een geneesmiddel wordt aangeleverd op een slachthuis enkele dagen op stal overstaan totdat de wachttermijn is verstreken?
  16. Een niet 'Keurslager' maakt gebruik van de hygiënecode voor de Keurslagers. Is dit toegestaan?
  17. Welke eisen zijn gesteld aan het vervoer van door nood gedode runderen?
  18. Als KDS de afhandeling van de PM- keuring heeft overgedragen aan de NVWA hoe wordt dan geborgd dat de karkassen volgens de regels worden afgewerkt?
  19. Hoe wordt het begrip ‘Marginaal, plaatselijk en beperkt’ geïnterpreteerd door de NVWA?
  20. Heeft een marktpoelier die thuis in zijn werkruimte wat producten kruidt hiervoor een erkenning nodig ?
  21. Heeft een bedrijf een erkenning nodig voor de opslag van gesmolten vet voor humane consumptie?
  22. Wie moet er voor de gezondheidsmerken en de identificatiemerken zorgen?
  23. Hoe gaat de NVWA om met een scheiding in de hygiëneverordening in lokaal of tijd tussen diverse bewerkingen?
  24. Mogen levende dieren vanaf het slachthuis worden afgevoerd?
  25. Moet een bedrijf dat vleesproducten levert aan de horeca hiervoor ook erkend zijn?
  26. Wanneer heeft een koel- en vrieshuis wel en niet een erkenning nodig?
  27. Wat moet onder ‘schone dieren bij het slachten ’ worden verstaan?
  28. Kunnen karkassen worden vrijgegeven na negatieve BSE uitslag op slachtplaatsen zonder permanent toezicht?
  29. Verleent de NVWA een erkenning als het bedrijf deze voor de activiteiten niet nodig heeft?
  30. Wat moet geregeld zijn met betrekking tot ongediertebestrijding?
  31. Is het dragen van een hoofddeksel en witte bedrijfskleding verplicht in een slagerij of poeliersbedrijf?
  32. Is er een goedgekeurde hygiënecode voor de vers vlees sector?
  33. Moeten vrieshuizen die vlees herverpakken/ompakken ook erkend worden ?
  34. Is een NVWA-controleur bevoegd bedrijfsruimten van een levensmiddelenbedrijf waar géén levensmiddelen aanwezig zijn te inspecteren op naleving van de wettelijke bepalingen?
  35. Als monstername voor BSE met een lepel niet lukt, heeft het bedrijf dan de keuze (kappen of kop opsturen) of moet er altijd gekapt worden of is kappen helemaal niet meer toegestaan?
  36. Heeft een zelfslachtende slager voor het uitsnijden van vlees een erkenning nodig?
  37. Heeft een erkende zelfslachtende slager, die in de ruimte waar hij slacht ook vleesproducten maakt die bij een andere detailhandellaar in de directe omgeving worden afzet, een erkenning nodig?
  38. Valt een vleesverwerkend bedrijf dat uitsluitend vlees, vleesproducten of vleesbereidingen levert aan de horeca, onder de definitie van detailhandel?
  39. Wat zijn de gevolgen van het gebruik van één erkenning door twee bedrijven ?
  40. Hoeveel stempels moeten er op een karkas staan als dit niet verdeeld het bedrijf verlaat?
  41. Moeten levers nog individueel gemerkt worden?
  42. Waar kan ik de lijsten vinden met erkende bedrijven?
  1. Op welk formulier moeten dieren die bij de AM- keuring als cat. 2 en 3 dieren zijn ingedeeld worden geregistreerd?
  2. Dit kan op het combiformulier worden aangegeven.

  3. Welke producten van kalveren en runderen uit echinococcus – risicolanden moeten worden ingevroren?
  4. Bij  het aantreffen van vinnen dan moet alles dat voor humane consumptie bestemd wordt eerst een koudebehandeling ondergaan voordat het hiervoor aangewend mag worden, dus ook broeipoten. Omdat delen van deze dieren ook besmetting van andere dieren die dit vlees consumeren kan opleveren is het niet juist deze af te voeren in een categorie dierlijk bijproduct die voor diervoeder wordt aangewend. Dit is opgenomen in de nieuw DBP-verordening.

     

    Echinococcose bij kalveren en runderen uit echinococcose-risicolanden, komen voor in inwendige organen van buik en borst en hersenen, maar niet in penis en poten. Ook een strot valt niet onder inwendig orgaan van borst- en buikholte.

    Indien tijdens de PM- keuring echinococcose blazen zijn aangetroffen zijn alle ingewanden van borst- en buikholte (incl. het hart) van runderen en de hersenen van kalveren uit zogenaamde Echinococcose- risicolanden (Roemenië en Bulgarije) ongeschikt voor mens en dier. Indien er geen echinococcose blazen zijn aangetroffen dan zijn alleen de ingewanden en hersenen van runderen ouder dan 6 maanden ongeschikt voor mens en dier als ze geen koudebehandeling hebben ondergaan.

  5. Mogen delen van het karkas voor de keuring worden verwijderd?
  6. Slachtafvallen zoals onderpoten, testikels en uiers dienen bij het karkas ter keuring te worden aangeboden indien deze bestemd worden voor humane consumptie. Ook als slachtafvallen niet ter keuring worden aangeboden en er worden afwijkingen geconstateerd dan moeten deze bekend gemaakt worden vóór de PM-keuring. Als er geen afwijkingen zijn geconstateerd en de slachtafvallen worden niet bestemd voor humane consumptie dan is een batchkeuring van de slachtafvallen toegestaan.

  7. Mogen nieren al voor de PM keuring uit het karkas worden gehaald waardoor deze niet meer met de natuurlijke ligamenten aan het karkas zijn verbonden?
  8. Zolang de keuring niet is voltooid moet op elk moment bepaald kunnen worden bij welk karkas de delen horen. Als het slachthuis procedures heeft die op een andere manier dan 'verbonden door de natuurlijke hechtmiddelen' garanderen dat de delen bij een specifiek karkas horen is dit ook toegestaan (Er kan dan ook gecontroleerd worden of het bedrijf deze procedures naleeft).

  9. Welke gezondheidsstempels mogen vanaf 1 januari 2006 gebruikt worden?
  10. Het ovale EG- gezondheidsstempel voor het plaatsen van gezondheidsmerken op karkassen die in een slachthuis een AM- en PM- keuring hebben ondergaan en waarvan het vlees geschikt is bevonden voor menselijke consumptie. Het binnenlandse ronde gezondheidsstempel voor het plaatsen van gezondheidsmerken op karkassen die in een slachthuis als noodslachting dood zijn aangevoerd en in het slachthuis een PM- keuring hebben ondergaan en waarvan het vlees geschikt is bevonden voor menselijke consumptie. Dit vlees komt niet in aanmerking voor intracommunautaire handel en is bestemd voor binnenlands gebruik. Het "Afkeurstempel" is in 2006 wettelijk vervallen.

  11. Is het toegestaan een identificatiemerk op cat. 3 materiaal aan te brengen?
  12. Nee, dit is niet toegestaan. Het identificatiemerk mag slechts geplaatst worden op producten die conform Vo 853/2004 zijn geproduceerd en voor menselijke consumptie bestemd en geschikt zijn. Als de producten dit niet zijn, vallen ze onder de Dierlijke Bijproducten Verordening en moeten worden geëtiketteerd zoals daar beschreven.

  13. Welke voorschriften gelden voor electrische bedwelming van slachtdieren?
  14. De voorschriften mbt het bedwelmen van dieren zijn beschreven in:

    • Richtlijn 93/119/EG (elektrische bedwelming: bijlage C)
    • Besluit doden van dieren
    • Regeling doden van dieren

    De voorschriften mbt veiligheid voor de mens (bediening van de apparatuur) zijn beschreven in de ARBO-wet/besluit en regeling.

  15. Mogen koppen van rosékalveren gebroeid worden?
  16. Nee, omdat volgens de Ver. 853/2004 alleen koppen van kalveren (=jonger 8 maanden) in aanmerking komen om gebroeid en onthaard te worden. Koppen van runderen ouder dan 8 maanden moeten dus tijdens de PM keuring ingesneden worden. 

  17. Wat is de keuringsbeslissing voor behandelde droge uiers?
  18. Voorheen werden alle droge uiers ongeschikt verklaard omdat deze behandeld zouden kunnen zijn met een middel dat nog wel in het uierweefsel aanwezig was, maar niet meer in de rest van het slachtdier. Nu alle behandelingen met een uierinjector gedurende de laatste 60 dagen gemeld moeten worden door de veehouder is het mogelijk die uiers die behandeld zijn met specifieke middelen (Cobactan DC en Orbenin extra dry cow) er tussenuit te halen. Dat op het VKI alle uierinjectoren gemeld moeten worden is om te voorkomen dat deze middelen een negatieve bijklank krijgen terwijl ze volledig aan de wet voldoen. Op Europees nivo heeft men echter geen rekening gehouden met het feit dat in Nederland uierweefsel voor menselijke consumptie aangewend worden, zodat voor de bepaling van wachttijd voor vlees geen onderzoek naar residuen in uierweefsel hoeft te gebeuren. De veehouder hoeft slechts het gebruik te melden gedurende de laatste 60 dagen. Is de behandeling langer geleden, dan hoeft het uier dus niet ongeschikt te worden verklaard. Op het moment dat ze wel ongeschikt verklaard zijn voor menselijke consumptie vallen deze onder de dierlijke bijproducten verordening. Een bedrijf mag altijd besluiten om alle droge uiers tot cat. 1 of 2 te bestemmen.

  19. Is er bij boerderijverkoop een erkenning nodig bij verkoop op het primaire productiebedrijf?
  20. Een uitsnijderij die op verzoek van een primair productiebedrijf een bij een slager geslacht dier uitbeent, in porties verpakt en op het primaire productiebedrijf aan particulieren verkocpt (boerderijverkoop) heeft  een uitsnijderij erkenning nodig als runderen ouder dan 30 maanden worden uitgesneden waarvan de wervelkolom verwijderd moet worden (TSE beschikking 999/2001). Gaat het om andere soorten vlees dan rundvlees, dan is registratie in deze situatie voldoende.

  21. Mogen niervetten voor de PM keuring uit het karkas worden gehaald, met als reden dat het karkasgewicht zonder niervetten wordt uitbetaald?
  22. De verordening schrijft voor dat beide nieren van het aanhangend vet worden ontdaan. Dit moet  dus voor de pm-keuring. Dit kan zonder ze uit het karkas te verwijderen, dus moeten ze er in zitten, of net als de overige slachtafvallen aanwezig zijn. Dat op basis van een PVE- verordening het niervet er uit mag, om het uit te betalen gewicht te bepalen, heeft hierop geen invloed. Alleen het gewicht van een goedgekeurd karkas kan bepaald worden, omdat anders nog niet zeker is hoeveel er wordt afgekeurd.

  23. Wie moeten de tonsillen bij runderen, en eenhoevigen verwijderen?
  24. De exploitant van het slachthuis moet er voor zorgdragen dat de tonsillen na de keuring worden verwijderd. Verordening 853/2004  Bijlage III, Sectie I, Hfd. IV onder 16a.

  25. Is vlees dat onder toezicht van de NVWA is gekeurd en gestempeld vrij van risico’s?
  26. Het Nationaal Plan Residuen is van zodanige aard dat je voor het overgrote deel residuen van de genoemde diergeneesmiddelen en bestrijdingsmiddelen als risico kunt afdekken, zodat de individuele slachterij hier geen actie meer op hoeft te nemen. Die garantie kan weer worden ‘doorgegeven’ voor het goedgekeurde vlees. Een aanvullende garantie kan zijn dat de dieren afkomstig zijn van een gecertificeerd keten garantie- systeem. In de vleesbranche zou bijvoorbeeld IKB dit kunnen zijn. Tenslotte zullen alle veehouders volgens gidsen voor goede praktijken moeten gaan werken en ook hier kan een certificeringsysteem aan worden verbonden, wat het individuele bedrijf als garantie kan gebruiken.

  27. In welke frequentie moet een exploitant van levensmiddelen monsternames uitvoeren?
  28. Conform de Verordening Microbiologische Criteria (VMC) gelden er microbiologische criteria voor vlees, vleesproducten, gehakt vlees, vleesbereidingen en separatorvlees. In artikel 4 lid 2 van de VMC is aangegeven dat de exploitant is verplicht door regelmatige bemonstering en analyse vast te stellen of producten voldoen aan deze criteria. De bemonsteringsfrequentie kan worden afgestemd op de aard en de omvang van het levensmiddelenbedrijf, mits de veiligheid van de levensmiddelen hierdoor niet in gevaar komt. In artikel 4 lid 2 van de VMC staat tevens dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven zelf de nodige bemonsteringsfrequenties vaststellen, tenzij in bijlage 1 van de VMC specifieke bemonsteringsfrequenties zijn aangegeven; in dat geval gelden de bemonsteringsfrequenties als minimum. De bedrijven zullen zelf aan moeten tonen dat de omvang van de monstername voldoende is om te kunnen concluderen dat de betreffende producten voldoen aan de wettelijke eisen.

  29. Mag een dier dat binnen de wachttermijn van een geneesmiddel wordt aangeleverd op een slachthuis enkele dagen op stal overstaan totdat de wachttermijn is verstreken?
  30. Dit is toegestaan mits aan de randvoorwaarden van het op stal staan wordt voldaan en na de wachttermijn een nieuwe AM- keuring wordt uitgevoerd.

  31. Een niet 'Keurslager' maakt gebruik van de hygiënecode voor de Keurslagers. Is dit toegestaan?
  32. Het staat een slager vrij om van een goedgekeurde hygiënecode gebruik te maken, mits de processen  zijn opgenomen in de desbetreffende hygiënecode. De activiteiten van de slager moeten dus door de code worden afgedekt.

  33. Welke eisen zijn gesteld aan het vervoer van door nood gedode runderen?
  34. Aan de tijd en afstand waarbinnen gedode dieren op een slachthuis moeten arriveren na het schieten en verbloeden zijn geen eisen gesteld.

    Wel is bepaald dat indien het vervoer langer duurt dan 2 uur het vervoer gekoeld plaats moet vinden indien de buitentemperatuur dit noodzakelijk maakt.(In Nederland bij temp. van > 4 graden C.)

  35. Als KDS de afhandeling van de PM- keuring heeft overgedragen aan de NVWA hoe wordt dan geborgd dat de karkassen volgens de regels worden afgewerkt?
  36. Indien een karkas ter plekke ‘opgeknapt’ wordt in aanwezigheid van de OA/KDS dan kan direct daarna het karkas worden gestempeld. Indien dit niet gebeurd dan moet bewuste overdracht door de OA aan de TDA plaatsvinden en dit wordt vastgelegd op het combiformulier. Een TDA/SC/ATDA werkt de keuring vervolgens af en legt het resultaat vast op het combiformulier.

  37. Hoe wordt het begrip ‘Marginaal, plaatselijk en beperkt’ geïnterpreteerd door de NVWA?
  38. In overweging 13 van de verordening 853/2004 wordt dit begrip verder verduidelijkt.

    De levering mag slechts een klein deel uitmaken van de activiteiten van de handelszaak, de bedrijven die de levering ontvangen, moeten in de onmiddellijke nabijheid gelegen zijn, en de levering mag slechts bepaalde soorten producten of bedrijven betreffen.

    Marginaal = kleine hoeveelheid ten opzichte van de totale omzet.

    Plaatselijk = binnen Nederland en net over de grens.

    Beperkt = enkele producten uit het totale assortiment en/of enkele afnemers

    Aan alle drie de criteria moet tegelijk worden voldaan. In principe bepaalt het bedrijf zelf of ze in het kader van de erkenningverlening willen vallen onder de criteria voor marginaal, plaatselijk en beperkt en het is aan de NVWA om dit te toetsen. Als er via bedrijfs- of brancheverenigingen feiten worden gepresenteerd die leiden tot marktverstoringen, dan wordt afhankelijk van de omvang van de problematiek een individueel onderzoek ingesteld naar het bedrijf dat ten onrechte geen erkenning heeft. Het onderzoek richt zich dan op de bovengenoemde drie criteria.

  39. Heeft een marktpoelier die thuis in zijn werkruimte wat producten kruidt hiervoor een erkenning nodig ?
  40. Dit is een detailhandelaar die rechtstreeks levert aan de eindverbruiker. Registratie is derhalve voldoende en er is dus geen erkenning nodig.

  41. Heeft een bedrijf een erkenning nodig voor de opslag van gesmolten vet voor humane consumptie?
  42. Voor de opslag van gesmolten vet is geen erkenning nodig, maar is registratie verplicht. Voor de productie van gesmolten vet heeft het bedrijf wel een erkenning nodig.

  43. Wie moet er voor de gezondheidsmerken en de identificatiemerken zorgen?
  44. De exploitant van een slachterij waar hoefdieren en/of gekweekt wild geslacht wordt, zorgt zelf voor de aanschaf van het gezondheidsmerk en/of het speciale gezondheidsmerk en bestelt deze via een aangewezen coördinator van de NVWA. De officiële dierenarts houdt toezicht op de gezondheidsmerken en het gebruik van de gezondheidsmerken. De exploitant van een levensmiddelenbedrijf zorgt zelf voor de aanschaf of productie van de identificatiemerken.

  45. Hoe gaat de NVWA om met een scheiding in de hygiëneverordening in lokaal of tijd tussen diverse bewerkingen?
  46. In de hygiëneverordening is een scheiding in lokaal of tijd tussen de volgende slachthandelingen voorgeschreven: bedwelmen en verbloeden; bij varkens: broeien, ontharen, afschrapen en schroeien; verwijderen van de ingewanden en verdere behandeling. In de praktijk is bij bestaande zelfslachtende slagers soms nauwelijks een scheiding te realiseren tussen de bewerkingen. Het kunnen waarborgen van de hygiëne is doorslaggevend.

  47. Mogen levende dieren vanaf het slachthuis worden afgevoerd?
  48. Dit is niet toegestaan, tenzij er door calamiteiten niet geslacht kan worden of in vergelijkbare noodsituaties. Het weer afvoeren van fokstieren omdat de installatie van het bedrijf deze dieren niet kan verwerken, valt daar niet onder.

  49. Moet een bedrijf dat vleesproducten levert aan de horeca hiervoor ook erkend zijn?
  50. Als dit bedrijf onder de definitie valt van detailhandel, dan kan dit zonder erkenning en is registratie dus voldoende. Zie hiervoor ook de beslisboom die is opgenomen op de internetsite van de NVWA.

  51. Wanneer heeft een koel- en vrieshuis wel en niet een erkenning nodig?
  52. Erkend moeten worden:

    • Stand– alone koel- en vrieshuizen waar vlees-, vis-, melk- of eiproducten worden opgeslagen maar die geen onderdeel zijn van activiteiten waarvoor bijlage III bij Verordening (EG) nr. 853/2004 voorschriften bevat.Koel- en vrieshuizen die onderdeel, en op het zelfde terrein gevestigd  zijn, van activiteiten waarvoor bijlage III van de Verordening 853/2004 voorschriften bevat bijvoorbeeld slachthuizen, uitsnijderijen, vleesproductenbedrijven, etc. vallen onder de erkenning van de betreffende activiteit. Een zelfstandige koel- en vrieshuiserkennning wordt dan niet noodzakelijk geacht tenzij er ook vlees van derden wordt opgeslagen.

     

    Niet erkend hoeven worden:

    • Koel- en vrieshuizen van detailhandelszaken. Koel- en vrieshuizen die worden gebruikt voor groothandelsactiviteiten die fysiek tot opslag en transport beperkt blijven.

     

    De temperatuursvoorschriften gelden onverkort en zijn niet afhankelijk van een erkenning.

  53. Wat moet onder ‘schone dieren bij het slachten ’ worden verstaan?
  54. Het doel is dat schone dieren worden geslacht om de microbiologische kwaliteit die wettelijk is voorgeschreven te bereiken. Dit is de verantwoordelijkheid van het bedrijf. Het bedrijf moet zorgen voor middelen om dit doel te bereiken, bijvoorbeeld effectieve reiniging van de betrokken dieren, een selectie van dieren in verband met het reinigingsniveau etc.

    Het bedrijf kan hiervoor een hygiënecode volgen. De NVWA heeft als taak te verifiëren dat de procedures die het bedrijf hiervoor heeft vastgesteld correct worden uitgevoerd. Bovenstaande is beschreven in het volgende document “Guidance document on the implementation of certain provisions of regulations (EC) No 853/2004 on the hygiene of food of animal origin’. Dit document wordt beschouwd als een hulpmiddel voor de implementatie van de desbetreffende hygiëneverordening.

  55. Kunnen karkassen worden vrijgegeven na negatieve BSE uitslag op slachtplaatsen zonder permanent toezicht?
  56. Hiervoor kunnen slachtplaatsen een eigen protocol maken en laten goedkeuren door de NVWA of gebruik maken van het standaard protocol van de Koninklijke Nederlands Slagersorganisatie (KNS).

  57. Verleent de NVWA een erkenning als het bedrijf deze voor de activiteiten niet nodig heeft?
  58. Als een bedrijf voldoet aan de basisvoorwaarden kan via de internetsite van de NVWA een erkenning worden aangevraagd. Indien een erkend bedrijf vervolgens, gezien de werkzaamheden, een erkenning niet meer nodig zou hebben maar de erkenning niet wenst in te leveren wordt de erkenning tenminste jaarlijks getoetst. Enkele voorbeelden uit de praktijk:

    • Het pand is volledig uitgerust (voldoet aan de basisvoorwaarden) maar produceert niet of niet meer. Indien de voorwaarden toetsbaar zijn en voldoen kan een voorwaardelijke erkenning worden verleend cq kan de erkenning behouden blijven.
    • Het pand is leeg en niet uitgerust. Het bedrijf kan hierdoor niet worden getoetst aan de basisvoorwaarden. De eigenaar van de erkenning wordt verzocht de erkenning in te laten trekken via de internetsite van de NVWA.
    • Het pand is in bedrijf en de exploitant vraagt om een erkenning voor andere activiteiten maar voert deze niet uit. Indien het bedrijf voldoet aan de basisvoorwaarden voor de betreffende activiteit en hier tevens aan blijft voldoen, kan via de internetsite van de NVWA een (voorlopige) erkenning worden aangevraagd.
    • Een bedrijf dat tijdelijk geen gebruik maakt van een toegewezen erkenning kan deze alleen behouden indien het bedrijf blijft voldoen aan de basisvoorwaarden voor de erkenning.
  59. Wat moet geregeld zijn met betrekking tot ongediertebestrijding?
  60. Het bedrijf moet in het HACCP systeem procedures hebben beschreven voor ongediertebestrijding. Deze kunnen ook zijn overgenomen uit een goedgekeurde hygiënecode. De NVWA controleert of deze procedures correct worden uitgevoerd.

  61. Is het dragen van een hoofddeksel en witte bedrijfskleding verplicht in een slagerij of poeliersbedrijf?
  62. In Verordening 852 staat in Bijlage II in Hoofdstuk VIII onder het kopje ‘Persoonlijke hygiëne’: 

    ‘Een ieder die werkzaam is in een ruimte waar producten worden gehanteerd, neemt een zeer goede persoonlijke hygiëne in acht en draagt passende, schone, en voor zover dat nodig is, beschermende kleding’.

    In de hygiënecode voor het slagersbedrijf staat: ‘bedrijfskleding (inclusief hoofddeksel, haarnetje en schoeisel) moet doelmatig, passend en schoon zijn. Beschermende kleding is kleding die door zijn lichte kleur waarschuwt dat zich vleesresten of vlekken op de kleren bevinden. Op deze wijze wordt het vlees tegen besmetting beschermd.

    Voor slagerijen met een eigen voedsel­veiligheids­plan is de norm open. De eis uit de hygiënecode kan helpen deze norm in te vullen. Echter, een slachterij die gebruik maakt van donkere kleding maar deze kleding bijvoorbeeld 3 x per dag wisselt, kan op deze manier ook invulling geven aan de norm. De NVWA- controleur zal op basis van bedrijfsspecifieke feiten en omstandigheden moeten bepalen of de open norm voldoende wordt ingevuld of niet.

  63. Is er een goedgekeurde hygiënecode voor de vers vlees sector?
  64. Zie hiervoor de Kennisbank Voedselveiligheid op de internetsite van de NVWA of de internetsite van het PVE.

  65. Moeten vrieshuizen die vlees herverpakken/ompakken ook erkend worden ?
  66. Ja, in het document ‘technical specifications SANCO /2179/2005’, Annex II zijn onder sectie 0 de volgende categorieen opgenomen die moeten worden erkend; distributiecentra, herverpakkingscentra en de koel- en vrieshuizen.

    Naast de erkenning voor koel- vrieshuis moet er een erkenning voor herverpakkingsinrichting worden aangevraagd. Omdat hiervoor geen specifieke eisen zijn opgesteld hoeft hiervoor alleen voldaan te worden aan de algemene eisen. Zie hiervoor de inspectielijst Erkenningverlening basiseisen.

  67. Is een NVWA-controleur bevoegd bedrijfsruimten van een levensmiddelenbedrijf waar géén levensmiddelen aanwezig zijn te inspecteren op naleving van de wettelijke bepalingen?
  68. NVWA- inspecteurs zijn bevoegd alle ruimten – met uitzondering van privé-ruimten – te inspecteren. Feiten en omstandigheden kunnen NVWA- inspecteurs aanleiding geven om ook in ruimten waar géén levensmiddelen staan op te treden. Als een feitelijk verband aanwezig is tussen de feiten en omstandigheden in een ruimte zonder levensmiddelen én de feiten en omstandigheden in een bedrijfsruimte voor levensmiddelen, dan ontstaat een wettelijke grondslag voor handhaving.

     

    Een onhygiënisch toilet an sich is geen overtreding. Echter, een onhygiënisch toilet (bijvoorbeeld drab op de vloer) waar het onomstotelijk vaststaat dat de gevolgen van de feiten in dit toilet invloed hebben op de bedrijfsruimte voor levensmiddelen (bijvoorbeeld de bedrijfsruimte wordt vies door de drab), dan is de connexiteit tussen de twee ruimten aangetoond. Het gevolg is dat een wettelijke grondslag ontstaat om op te treden.

    In casu zou de overtreding zijn dat door de drab op de vloer een medewerker vies schoeisel krijgt en hierdoor niet voldoet aan Hoofdstuk VII van Bijlage II van Verordening (EG) nr. 854/2004, persoonlijke hygiëne.

    Betreden van plaatsen

    Op grond van artikel 5:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner. Onder de te betreden plaatsen vallen naast bedrijfsruimten ook overige ruimten in bedrijfspanden. Het is echter alleen toegestaan plaatsen te betreden waarbij dat voor de uitoefening van toezicht redelijkerwijs noodzakelijk is (artikel 5:13 van de Awb).

  69. Als monstername voor BSE met een lepel niet lukt, heeft het bedrijf dan de keuze (kappen of kop opsturen) of moet er altijd gekapt worden of is kappen helemaal niet meer toegestaan?
  70. Een monstername, waarbij het bedrijf de hersenstam toegankelijk maakt voor de monsternemer dmv het kappen van de schedel is niet verboden, maar geschiedt altijd voor risico van het bedrijf. Als het monster niet te onderzoeken is volgt ongeschiktverklaring van het karkas. Let wel op arbo- omstandigheden i.v.m. rondspattend SRM materiaal tijdens het kappen.

  71. Heeft een zelfslachtende slager voor het uitsnijden van vlees een erkenning nodig?
  72. Een slager die vlees uitsnijdt en via de eigen toonbank verkoopt heeft hiervoor een erkenning nodig indien het runderkarkassen betreft van runderen die ouder zijn dan 30 maanden aangezien de wervelkolom dan beschouwd wordt als SRM materiaal (TSE beschikking 999/2001). Indien er uitsluitend schapen worden uitgesneden dan is hiervoor geen erkenning nodig omdat het ruggenmerg bij schapen al in de slachtfase moet zijn verwijderd.

  73. Heeft een erkende zelfslachtende slager, die in de ruimte waar hij slacht ook vleesproducten maakt die bij een andere detailhandellaar in de directe omgeving worden afzet, een erkenning nodig?
  74. Hiervoor is geen erkenning nodig wanneer deze verkoop aan de detailhandelaar marginaal, beperkt en plaatselijk is. Het slachtproces en de productie van vleesproducten moeten wel gescheiden in tijd worden uitgevoerd.

  75. Valt een vleesverwerkend bedrijf dat uitsluitend vlees, vleesproducten of vleesbereidingen levert aan de horeca, onder de definitie van detailhandel?
  76. Bijvoorbeeld een bedrijf dat uitsluitend shoarmarollen en shoarmareepjes aan horecabedrijven levert. Volgens de leidraad voor de toepassing van de verordening 853/2004 is deze verordening wel van toepassing op groothandelsactiviteiten, tenzij de activiteiten alleen bestaan in opslag en transport en er dus geen sprake is van productie. Ook is een erkenning niet noodzakelijk indien de leveringen een marginale, lokale en beperkte activiteit is.

  77. Wat zijn de gevolgen van het gebruik van één erkenning door twee bedrijven ?
  78. A. Erkenningverlening en -onderhoud

    De bedrijven hebben één erkenning en deze staat op naam van bedrijf A (= erkenning houder). Alle erkende inrichten van beide bedrijven worden voor erkenningonderhoud beoordeeld. Indien één van beide bedrijven niet aan de hygiëne eisen voldoet kan dit leiden tot het opstarten van een intrekkingsprocedure. Als de erkenning daadwerkelijk wordt ingetrokken, komt de erkenning van beide bedrijven te vervallen en kunnen zowel bedrijf A als B niet meer produceren. De verantwoordelijkheid voor het voldoen aan de erkenningseisen ligt bij beide bedrijven door het gezamenlijk gebruik van de inrichtingen en de erkenning.

    B. Systeemtoezicht

    Beide bedrijven produceren voor eigen rekening levensmiddelen en moeten op basis van artikel 5 van de Verordening 852 / 2004 voldoen aan de HACCP- verplichting. Deze eis is opgelegd aan de exploitant en niet aan de erkenninghouder. Beide bedrijven moeten hierdoor afzonderlijk aan deze verplichting voldoen en dus een eigen HACCP- plan hebben dat werkt. Als beide bedrijven niet voldoen aan deze verplichting, dan worden beide bedrijven hiervoor afzonderlijk juridisch verantwoordelijk gesteld. In deze situatie zal bedrijf A in eerste instantie niet opdraaien voor een niet goed werkend HACCP systeem van bedrijf B en ook niet omgekeerd. Dus het HACCP plan wordt onafhankelijk van elkaar beoordeeld.

     

    Een goed HACCP- plan is echter onderdeel van de eisen van de erkenning. Mocht bedrijf B herhaaldelijk aantoonbaar niet voldoen aan alle eisen die bij een erkenning horen (dus bijvoorbeeld de HACCP-verplichting), dan wordt in uiterste instantie de intrekkingsprocedure van de erkenning gestart. Bedrijf A wordt dan "slachtoffer" van een niet goed functioneren van bedrijf B. Ook hiervoor geldt dat de bedrijven er zelf voor gekozen hebben onder één erkenningsnummer te werken, en dat elke intrekkingsprocedure maatwerk is.

  79. Hoeveel stempels moeten er op een karkas staan als dit niet verdeeld het bedrijf verlaat?
  80. Er moeten 3 gezondheidsmerken (stempels) per karkashelft zijn aangebracht. Dit is gebaseerd op het voorschrift dat karkashelften in de slachterij ten hoogste in drie voor de groothandel bestemde deelstukken mogen worden verdeeld (Verordening EG 853, Bijlage III, Hoofdstuk V, punt 1) of indien de karkashelften eventueel elders (bv. uitsnijderij) alsnog in twee/drie delen wordt verdeeld en zo’n onderdeel de uitsnijderij weer verlaat, dat onderdeel voorzien is van een gezondheidsmerk (Verordening EG 854, Bijlage I, Hoofdstuk III, punt 2b).

  81. Moeten levers nog individueel gemerkt worden?
  82. Gezondheidsmerken worden volgens de Verordening 854 alleen op karkassen aangebracht. Levers (product van dierlijke oorsprong) moeten worden voorzien van een identificatiemerk voordat ze de slachterij verlaten (Verordening EG 853, Bijlage II, Sectie I, Punt A1).

  83. Waar kan ik de lijsten vinden met erkende bedrijven?
  84. Lijsten met erkende bedrijven zijn opgenomen in het dossier Erkenningen, vergunningen, registraties.